Project 1 - najaar 2017

In ons eerste project stond Telemann (250 jaar geleden gestorven) centraal met twee ouvertures en een wereldlijke cantate voor sopraan, strijkers en basso continuo. Daarnaast een concerto grosso en twee Deutsche Arien van collega en vriend Händel en een Hamburger Sinfonie van petekind Carl Philipp Emanuel Bach.

Sopraan Titia van Heyst soleerde in de Deutsche Arien en in de cantate Der Weiberorden en van hoboïst Peter Frankenberg kregen we inspiratie voor de uitvoering van de dansmuziek in de Ouverture-suite.

 

Programma

  • G.Ph. Telemann: Ouverture, TWV55:B1
  • G.F. Händel: Uit Neun Deutsche Arien: Das zitternde Glänzen der spielenden Wellen, HWV203 Süßer Blumen Ambraflocken, HWV204
  • G.F. Händel: Concerto Grosso opus 3 nr. 4, HWV315
  • G.Ph. Telemann: Cantate Der Weiberorden, TVWV20:49
  • C.Ph.E. Bach: Hamburger Sinfonie, H659
  • G.Ph. Telemann: Ouverture-suite, TWV55:g1

Telemann, Händel en C.Ph.E. Bach

Op 25 juni was het 250 jaar geleden dat Georg Philipp Telemann overleed in Hamburg. Op veel plaatsen is dit feit aanleiding om in 2017 extra aandacht aan de componist en zijn muziek te besteden. Ook het programma van dit concert wordt voor een groot deel gevuld met muziek van Telemann. We combineren deze met werk van zijn beroemde tijdgenoot, collega en vriend Georg Friedrich Händel en van zijn petekind en opvolger in Hamburg Carl Philipp Emanuel Bach.

Georg Philipp Telemann (1681-1767)

Telemann was een veelzijdig componist met een enorme werklust. Hij beheerste alle belangrijke muziekstijlen van zijn tijd, maar hij was vooral de meester van de ‘fusion cooking’, het mengen van die stijlen tot iets geheel nieuws, ‘les goûts réunies’. Hij was daarbij uitermate inventief en ging met zijn tijd mee qua compositiestijl, dat wil zeggen van barok naar rococo. Zijn muziek werd in de 18e eeuw bewonderd in heel Europa.
Telemann heeft enorm veel muziek geschreven in zijn leven. Een belangrijke reden hiervoor was dat hij zo gemakkelijk schreef. Van Händel is de uitspraak dat Telemann een achtstemmig muziekstuk kon schrijven in de tijd die iemand anders nodig had voor het schrijven van een brief. De omvang van zijn oeuvre is later door musicologen vaak tegen hem gebruikt. Een veelschrijver kon geen echt grote componist zijn. In zijn eigen tijd was dat wel anders, getuige een uitspraak van componist en schrijver Johann Mattheson: “Ein Lully wird gerühmt, Corelli läszt sich loben, nur Telemann allein ist übers Lob erhoben”. Gelukkig is de waardering voor de muziek van Telemann in de laatste jaren toegenomen.

Telemann en de Ouverture-suite

De Ouverture-suite is een orkeststuk bestaande uit een openingsdeel (ouverture) gevolgd door een aantal dansen. Deze muziekvorm ontstond in Frankrijk aan het hof van Lodewijk XIV, waar Lully muzikaal leider was. Omdat het culturele leven aan het Franse hof een voorbeeld was voor de kleinere vorstendommen in Duitsland kwam ook daar de Franse muziek op het menu. In het eerste kwart van de achttiende eeuw werd de Ouverturesuite in Duitsland enorm populair. Dit was vooral aan Telemann te danken.
Aanvankelijk imiteerde hij de Franse suite, maar al snel zocht en vond hij nieuwe wegen. Niet alleen introduceerde hij allerlei bezettingen, maar ook werden dansen vervangen door delen die iets uitbeelden. Van de honderden suites die Telemann geschreven heeft, zijn er uiteindelijk 125 bewaard gebleven, voornamelijk in handschrift.
Op het programma van dit concert staan een volledige Ouverture-suite (TWV55:g1) en een losse Ouverture behorend bij de derde Ouverture-suite uit de “Musique de table” (TWV55:B1). In de “Musique de table” (1733) presenteert Telemann een staalkaart van alles wat hij in de instrumentale muziek tot 1730 tot stand gebracht heeft. De collectie bestaat uit drie Productions met een keur van muziekstukken waar in de 18e eeuw veel vraag naar was, muziek die bruikbaar was bij allerlei feestelijke gelegenheden aan vorstelijke hoven, maar ook voor de gegoede burgerij in grote steden als Hamburg. Als geheel is het te vergelijken met Bachs Brandenburgse concerten of Händels Concerti Grossi opus 6. Het in druk uitgeven van zo’n enorm werk (ruim vier uur muziek) was een kostbare onderneming. Telemann organiseerde daarom voorintekening in 1732 door een annonce in het Hamburgse blad ‘Berichten von gelehrten Sachen’ te plaatsen en door informatie per brief aan zijn uitgebreide kennissenkring. Onder de ruim 200 intekenaren bevond zich ook een zekere ‘Mr. Hendel, Docteur en Musiques, Londres‘. Händel heeft later meerdere delen hieruit hergebruikt in zijn eigen composities (o.a. in HWV61 en HWV318), een teken van waardering. Ook TWV55:g1 heeft Telemann in druk laten verschijnen (1736) als laatste van de “Six ouvertures à 4 ou 6”. De druk is echter in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. In Darmstadt wordt gelukkig een handgeschreven kopie van Graupner bewaard, zodat we dit fraaie werk nu nog kunnen spelen. Het stuk is representatief voor Telemanns ouverture-suites in het algemeen. Er zijn naast de Ouverture en een Menuet twee kleurrijke invocaties van volksmuziek (Napolitaine en Polonoise), twee effectvolle karakterstukken (Musette en Harlequinade) en een merkwaardige Mourky . Een suite die geschikt is ter vermaak van een breed publiek.

Der Weiberorden – cantate voor sopraan, strijkers en basso continuo

Ook op vocaal terrein heeft Telemann heel erg veel geschreven: 1200 kerkelijke cantates, 23 passies, 5 passie-oratoria, 13 psalmzettingen, 9 wereldlijke cantates etc. Van die wereldlijke cantates hebben we er eentje gekozen met een thematiek die verwant is aan die van de Kaffeekantate van J.S. Bach: het verlangen naar het achter zich laten van de ‘jonkheid’, en het toetreden tot de wereld van het vrouw-zijn met alle geneugten van dien: een man, een huwelijk, een kind (uiteraard een zoon!).
Het is een licht en vrolijk werk, vol humor.

Georg Friedrich Händel (1685-1759)

Händel werd geboren in Halle, waar zijn vader barbier-chirurg was aan het hof van Saxen-Weisenfels. Als kind bleek Georg al heel muzikaal te zijn maar omdat zijn vader hem een grote toekomst als jurist toedacht, verbood hij hem muziek te beoefenen. Hij bleef toch spelen en mocht – op 8-jarige leeftijd – wel muzikaal worden opgeleid door de organist Friedrich Zachau.  Behalve instrumentale beheersing (orgel, klavecimbel, hobo en compositie) leerde Zachau zijn leerling al meteen kennismaken met een verscheidenheid aan werken in diverse stijlen. Werken van andere componisten bleken later een bron van inspiratie voor Händel. In zijn composities zijn Duitse, Italiaanse en Engelse invloeden te horen.
Händel liet zich in 1702, hoewel al befaamd organist (Telemann kwam in 1701 al naar hem luisteren) toch nog inschrijven als student rechten. In 1703 gaf hij zijn organistenbaantje in Halle en zijn juridische studie op. Hij nam als 18-jarige een aanstelling als violist en klavecinist aan in Hamburg bij de “Opera am Gänsemarkt”. Zijn eerste opera schreef hij daar, in 1705. Op 21-jarige leeftijd, in 1706, reisde hij op uitnodiging van de familie De Medici naar Italië. Jong talent moest van Florence de operahoofdstad van Italië maken. Vanwege een tijdelijk verbod op opera’s ging Händel naar Rome, waar hij geestelijke muziek componeerde voor de katholieke kerk. Hij was geliefd op de muzikale bijeenkomsten in de paleizen van de kardinalen. Hij schreef er o.a. oratoria en wereldlijke cantates in pastorale stijl. Händel kwam tot grote bloei tijdens zijn verblijf in Italië.
In 1710 ging hij werken als hofkapelmeester in Hannover. Dit adellijke hof was gelieerd aan het Britse koningshuis. Zo mocht hij op studiereis naar Londen en had er veel succes met zijn Italiaanse opera’s. In 1712 vestigde hij zich in Londen en zijn naam werd George Frideric Handel. Hij schreef veel muziek in opdracht van het koninklijk hof, dat hem vorstelijk betaalde: zowel Queen Anne als later ook King George I, die ooit keurvorst was van Hannover. Voor de Engelse adel en vermogende muziekliefhebbers schreef Handel tal van opera’s, pastorales, anthems  en cantates,  die werden uitgevoerd in The Royal Academy of Music.
In 1727 werd Handel Brits staatsburger. Het jaar daarop ging The Academy failliet, want de Engelstalige opera (The Beggars Opera) werd meer populair dan die in het Italiaans. Zijn nieuwe onderneming kwam in het Haymarket Theatre. Op aanraden van Anna van Hannover werden zijn oratoria in het theater uitgevoerd. Hij beschikte in 1731 over 100 musici, waaronder 25 zangers. Maar in Londen werkten ook de componisten Hasse en Porpora. Zij stonden onder contract van de Opera of Nobility, net als de castraat Farinelli. Handel kon de concurrentie niet aan. Ook kreeg hij kritiek op zijn omgangsvormen en zijn uitvoeringen van bijbelse taferelen op toneel. Winst bleef uit, einde onderneming. In 1734 begon hij aan zijn derde project in Covent Garden en schreef toen weer composities die succes hadden.
Zijn laatste opera uit 1741 was geen succes. De uitvoeringen van zijn oratoria, vanaf 1739, waren dat wel. Handel besloot zich te richten op Engelstalige koormuziek met als hoogtepunt de Messiah in 1742. De première vond plaats in een theater in Dublin. Nadien schreef hij nog veel beroemde werken.
In 1751 werd hij blind aan één oog. Hij stopte met componeren. Een jaar later onderging hij een staaroperatie, zonder succes. In 1753 was hij geheel blind, maar hij bleef desondanks orgel spelen en dirigeren. Op 6 april 1759 woonde de oude Handel een uitvoering bij van zijn Messiah, werd plotseling zwaar ziek en stierf op Stille Zaterdag. Hij werd onder grote publieke belangstelling bijgezet in de Westminster Abbey.
Door collega’s werd Handel gewaardeerd. J.S. Bach hoopte vergeefs hem te zien in Halle in 1727. Mozart noemde hem een meester in het gebruik van affecten en Beethoven vond hem de grootste componist ooit. De muziekwereld dankt aan hem, naast zijn opera’s en oratoria, een groot scala aan cantates, odes, solosuites, kamermuziek, concerti grossi en orkestwerken in gevarieerde bezettingen.

Neun Deutsche Arien (1727)

De Neun Deutsche Arien zijn geschreven op de teksten uit de gedichtenverzameling Irdisches Vergnügen in Gott (1721) van Barthold Heinrich Brockes, een tekstdichter waarmee Händel ook zou samenwerken voor zijn zogenaamde Brockes-Passion. Deze aria’s vormen een uitzonderlijk ingetogen werk. Naast zijn heroïsche opera’s en oratoria in het Italiaans en Engels schreef hij dit intieme werk voor sopraan, viool of hobo en basso continuo. In deze Duitse teksten bespeuren we de wereld van het vroege piëtisme: nadruk op de religieuze ervaring en de beleving van God in de schoonheid van de natuur. We hebben er twee uitgekozen die deze thematiek verklanken.

Concerto Grosso opus 3 nr.4 in F HWV 315 (1716)

Dit vierdelige werk is niet geschreven in de typische stijl van een concerto grosso: een groepje solisten dat wedijvert met een orkest. In de zes concerti opus 3 is er minder contrast dan gebruikelijk tussen het orkest (tutti of ripieno) en de solistische groep daarin, maar door de virtuoze passages beantwoorden ze toch wel aan de stijl.

Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788)

Georg Philipp Telemann stond als peetvader bij het doopvont waaruit Carl Philipp Emanuel Bach gedoopt werd. Er was dus een nauwe en vriendschappelijke band tussen de Bachs en Telemann. Maar met C.Ph.E. Bach zijn we toch een kleine stap verder in de muziekgeschiedenis: verder bij de barok vandaan en dichter bij de daaropvolgende ‘galante stijl’ die we bij Telemann ook al vinden.
In 1768 gaat C.Ph.E. Bach, waarschijnlijk zeer opgelucht, na 30 jaar dienst als hofklavecinist weg bij het hof van Frederik de Grote in Berlijn. Hij volgt Telemann op in Hamburg als cantor van het Johanneum-gymnasium en als muziekdirecteur van de vijf hoofdkerken in Hamburg. Steeds meer was hem de behoorlijke dwang van Frederik de Grote om in een luchtige, vriendelijke, nooit opwindende galante stijl te componeren, tegen gaan staan. Frederik bevoordeelde componisten die zo schreven en dat bracht voor Carl Philipp ook financiële zorgen met zich mee.
Voor “der musikalische Feuerkopf” C.Ph.E. Bach was Hamburg een immense bevrijding. In Hamburg vond hij inspiratie bij bevriende dichters en schrijvers die werkten vanuit de idealen van de “Sturm und Drang”-beweging, meer nog dan bij componisten. Het ging hen om het recht op autonome beslissingen in alle politieke, morele en theologische kwesties.
Deze idealen vinden we terug in een van de Hamburger Sinfonien die C.Ph.E. Bach schreef: “Eine individuell ausgeprägte Seelenverfassung in allen ihren drastischen Stimmungswechseln sensibel und seismographisch auszudrücken und in Musik zu übersetzen”. Dat was zijn streven. Beter dan in deze Duitse zinsnede kan men niet uitdrukken wat u zult horen in de derde Hamburgse strijkerssymfonie.

Sopraan Titia van Heyst is een veelzijdige sopraan en tevens veelgevraagd oratorium-soliste. Buiten de concertzalen en grote kerken in Nederland treedt Titia als soliste ook op in het buitenland. Ze heeft als soliste aan diverse cd-opnames meegewerkt, waaronder de cd ‘Krönungsmesse’ van het Kathedrale Koor St. Bavo in samenwerking met het Promenade Orkest.
Titia behaalde in 2007 haar masterdiploma aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Tijdens haar masterstudie specialiseerde zij zich in de Franse en Duitse liedkunst. Ze studeerde bij Sasja Hunnego en volgde lessen en master-classes bij Jard van Nes, Meinard Kraak, Dame Melvina Major, Elly Ameling en Erna Spoorenberg. Inmiddels wordt ze gecoacht door sopraan Hanneke de Wit.
Titia werkt als sopraansoliste veel samen met Bach Ensemble Amsterdam onder leiding van Paulien Kostense.

Peter Frankenberg studeerde muziekwetenschap aan de universiteit van Utrecht en hoofdvak barokhobo aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Ku Ebbinge. Hij is vast hoboïst van de Nederlandse Bachvereniging sinds 1988. Daarnaast verleent hij regelmatig medewerking aan verschillende Nederlandse en andere Europese ensembles, waaronder het Freiburger Barock Orchester, les Talents Lyriques, Anima Eterna, het Orkest van de Achttiende Eeuw, Concerto Copenhagen, het Drottningholm Orkest Stockholm en The Amsterdam Baroque Orchestra.
Hij werkt met veel plezier als docent en wordt regelmatig gevraagd bij diverse cursussen oude muziek, onder andere in Jerusalem, Lissabon en Warschau.